Ik had pas een leuk gesprek met een tachtigplusser over de zestiger jaren. Hij vertelde over zijn vroegere werk in de bouw en sprak zijn verbazing uit over alles wat nu tegen de gevels of op de daken van huizen wordt geplaatst zoals zonnepanelen, airco’s en dakkapellen. “Vroeger mocht niets en nu alles”, zei hij.
Het waren tijden van Jan met de Pet zoals hij dat noemde. Hij was er een van: de arbeider, de gewone man die meestal een pet droeg, terwijl mannen uit de hogere stand in die tijd een hoed droegen.
We spraken verder over auto’s van toen en nu. Hij vertelde trots over een tweedehands middenklasser die hij in de zestiger jaren kon kopen toen hij het beter kreeg. Hij was tevreden met zijn leven dat hij had geleefd.
“Maar was het die goede oude tijd”, vroeg ik hem. “Nee joh, helemaal niet. Het was buffelen voor je centen. Ook deze tijd zal op een gegeven moment ook die goede oude tijd genoemd gaan worden”.
We praatten verder en opeens zei hij: “Weet je wat grappig is, iedere auto heeft nog steeds een hoedenplank”. Ik vroeg hem wat er op de hoedenplank van zijn middenklasser lag. “Een wiebelhondje met zo’n knikkende kop”, was zijn antwoord.
Gert Visser