'Er wordt wat afgegeven op het parkeerbeleid van Gouda. Alsof het een hobby is van het stadhuis om automobilisten te plagen. Alsof er ’s ochtends iemand opstaat met het voornemen: laten we het iedereen vandaag eens wat lastiger maken', zo start Arjan van Essen zijn column voor ZoGouds.nl.
Paard en wagen
Maar Gouda groeit. We zijn met bijna 78.000 mensen inmiddels. Dat is geen dorp meer met een dorpspomp en een handvol fietsen tegen de kerkmuur. Dat is een stad. Een compacte stad bovendien, met grachten, historische straten, smalle stoepen en huizen die zijn gebouwd in een tijd waarin een paard en wagen al luxe was.
Al die auto’s kunnen we eenvoudigweg niet bergen.
Blikopslag
Wie eerlijk kijkt, ziet het. De stoep is geen parkeerplaats. Het plantsoen ook niet. En als iedere bewoner zijn of haar auto gratis en voor de deur wil zetten, dan wordt de straat een blikopslag. Dan verdwijnt de ruimte om te lopen, om te spelen, om elkaar te ontmoeten. Dan wordt de stad een stalling.
Is het dan zo erg om een kleine drempel op te werpen? Een tarief, een vergunning, een zone? Misschien is het niet pesten, maar sturen. Niet afpakken, maar ordenen. Een stad is geen optelsom van individuele wensen; het is een gezamenlijk compromis.
Parkeervreugde
Ik moet bekennen: ik ervaar soms parkeervreugde. Niet omdat ik graag betaal, maar omdat ik zie dat de binnenstad ademt. Dat er ruimte is om te wandelen. Dat de markt niet wordt overschaduwd door rijen staal. Een stad die haar auto’s een beetje tempert, kiest voor haar mensen.
Bomenbeleid
Hetzelfde geldt voor het bomenbeleid. Ook daar wordt stevig op afgegeven. ‘Ze kappen alles. Het wordt kaal. Onbegrijpelijk.’
Maar berken en populieren zijn geen eiken. Ze groeien snel, leven korter. In een bos mogen ze omvallen. In een woonwijk niet. Dan ligt er een fiets onder, of een kind, of een auto waar net zo hard voor is gespaard. Vervangen vóór ze breken is geen liefdeloosheid, maar verantwoordelijkheid.
Een stad onderhouden is vooruitzien. Dat betekent soms kappen om opnieuw te planten. Jonge bomen die wortelen in grond die al generaties lang wordt gedeeld. Het duurt even voor ze groot zijn. Geduld is geen populaire deugd in een tijd van directe meningen.
Veilige reflex
Soms is het zo makkelijk om af te geven op de overheid. Het is een veilige reflex. Zij zijn ver weg, wij staan hier. Maar wie iets langer kijkt, ziet ook het andere verhaal.
We leven best vredig in onze stad.
Een paar decennia geleden waren er wijken waar je ’s avonds niet zomaar kwam. Waar bussen liever omheen reden. Dat is geen romantiek, dat is geschiedenis. Nu leven we redelijk gemoedelijk naast elkaar. Ja, er zijn incidenten. Autobranden, soms. Heel vervelend. Het nieuws vergroot wat misgaat; dat is zijn aard.
Maar het alledaagse gaat meestal goed.
Samenleven
De voetbalclubs spelen hun wedstrijden, soms fanatiek, maar over het algemeen sportief. Ouders langs de lijn. Kinderen met modder op hun knieën. Een stad die zichzelf oefent in samenleven.
Misschien moeten we wat zuiniger zijn op dat beeld.
Een groeiende stad vraagt om keuzes. Parkeerbeleid dat soms schuurt. Bomen die worden vervangen voordat ze gevaarlijk worden. Wijken die aandacht krijgen. Het is nooit perfect. Het kan altijd beter. Kritiek hoort erbij; het houdt bestuurders scherp.
Maar laten we ook erkennen wat er is.
Ruimte delen
We wonen in een stad waar je ’s avonds over straat kunt. Waar verschillende geloven elkaar niet verdringen maar verdragen. Waar vrijwilligers het sportpark onderhouden. Waar nieuwkomers een plek vinden. Waar het water nog steeds door de grachten stroomt en het stadhuis elke week zijn oude gezicht toont.
Misschien is dat wel de echte parkeervreugde: dat we met 78.000 mensen op een kluitje wonen en het, alles bij elkaar genomen, best goed doen.
Niet omdat alles perfect is. Maar omdat we, met elkaar, bereid zijn ruimte te delen.